Geen categorie

De onderbuik van de buurvrouw (24-09-2014)

 

Over drie maanden moeten de gemeenten klaar zijn om de jeugdzorg over te nemen. Volgens de staatssecretaris wordt er aan alle kanten hard gewerkt om dit op een zo verantwoord mogelijke manier te laten verlopen. Maar er is niemand die mij daar iets over kan vertellen. Vooralsnog hangt de toekomst van Jacco én van ons gezin dus af van geruchten. En die zijn zeer verontrustend.

In het programma Nieuwsuur werd er deze week aandacht besteed aan hoe de gemeente Gemert de jeugdzorg heeft georganiseerd. Zo zijn in die gemeente drie dorpsondersteuners aangesteld, ook wel buurvrouw plus genoemd. Deze buurvrouw (of buurman) weet nét iets meer dan de gewone burger. Zij gaat bij de mensen langs voor een intake-gesprek.

Eén van deze buurvrouwen vertelde: ‘Wanneer ik bij mensen op bezoek ga en hun verhaal hoor, dan ga ik uit van mijn onderbuik gevoel.’ Vol afschuw en ontzetting riep ik tegen Jaap: ’O nee, straks zijn wij voor de zorg van Jacco afhankelijk van het onderbuikgevoel van een buurvrouwplus! Dat kan toch niet waar zijn!

Van dit soort berichten kan ik dus niet slapen. Deze buurvrouw met haar onderbuikgevoel werkt compleet op mijn allergie. Ook nu lig maar te woelen en te piekeren en te woelen en te piekeren….

 De deurbel gaat en op de stoep staat de buurvrouwplus. Ze komt ‘gezellig’ op de koffie en wil meteen onze zorgaanvraag voor Jacco even bespreken. Natuurlijk nodig ik haar uit om binnen te komen. Wij zijn immers afhankelijk van haar oordeel, nou ja… haar onderbuikgevoel.

Even later zitten we aan de keukentafel en onder het genot van een bakje koffie vormt zich een gesprek:

‘Jullie hebben een hulpvraag ingediend omdat jullie hulp nodig hebben voor jullie zoon, klopt dat?’

‘Ja, dat klopt. Onze zoon Jacco van negen jaar heeft een ernstige vorm van epilepsie, waardoor hij een ontwikkelingsachterstand heeft opgelopen. Vanwege de kans op epileptische aanvallen heeft hij continu toezicht nodig. Daarnaast is zijn gedrag heel onvoorspelbaar en ziet hij geen gevaar. Ik heb hier de verslagen van alle onderzoeken die er afgelopen jaren geweest zijn. Ook heb ik het zorgplan dat mijn man en ik gemaakt hebben. ‘

Terwijl ik mijn verhaal doe, pakt ze een stapel papieren uit haar tas.

 ‘Ik heb een standaard vragenlijst die ik eerst graag even met je wil doornemen.

‘Kan jullie zoon lopen?’  

Verbaast antwoord ik: ‘Uh…Ja,  maar hij heeft een spasme in zijn benen, waardoor zijn motoriek zeer houterig is.’

Ze onderbreekt mij en zegt vriendelijk: ‘Ik heb geleerd om zwart-wit te denken, anders schrijven wij ons namelijk het rambam, wat ik volgens de Arboregels niet mag. Het is dus een ja.’

‘Kan jullie zoon praten?’

‘Uh…ja, maar hij heeft wel een taalachterstand van enkele jaren.’

‘Dus ook een ja.’

De volgende vragen gaan over het  wel of niet zichzelf kunnen aan- en uitkleden, de toiletgang en het al dan niet zelf kunnen eten.

Ze slaat de bladzijde om en vraagt verder:

‘Gaat hij naar school?’

‘Ja, naar het Speciaal Onderwijs. Hij kan echter niet lezen en schrijven.’

‘Oh, maar hij gaat in ieder geval nog naar school, dus dat komt wel goed.’

Terwijl ik mijn kookpunt bereik en haar de deur uit wil zetten, bladert ze rustig wat in haar aantekeningen en zegt: ‘Hij heeft dus epilepsie. Heeft hij vaak aanvallen?’

Ik haal diep adem in het besef dat wij afhankelijk zijn van haar oordeel en antwoord met ingehouden woede: ‘Dit is heel wisselend. Momenteel heeft hij ongeveer één keer per week een slechte dag met veel aanvallen. Maar zijn epilepsievorm is heel verraderlijk. Daarom draagt hij altijd een valhelm. ’

‘Oh, dus ongeveer zes dagen heeft hij geen last van zijn epilepsie.’

Hevig verontwaardigd door zoveel lompheid en onbegrip snauw ik: ’ Nou, zo moet u het niet zien, want de epilepsie beïnvloed zijn hele leven én dat van ons.’

Ondertussen mompelt ze iets van ‘Ik-ben-bijna- klaar hoor!’

‘Heeft u familie, vrienden, kennissen in buurt wonen die u kunnen helpen?’

 ‘Ja. Maar zij werken en hebben ook hun eigen leven.’

Ze lijkt mijn frustratie niet te merken en zegt: ‘Maar, zij kunnen wel ondersteuning bieden in geval van nood?’

‘Uh.. ja.’ Zucht.

Dan vraagt ze plotseling quasi geïnteresseerd: ‘Wat voor werk doet u eigenlijk?’

Geïrriteerd zeg ik: ‘Ik heb in het onderwijs gewerkt,  maar ben gestopt met werken sinds Jacco epilepsie kreeg.’

Met een glimlach zegt ze: ‘Dat is wel  fijn, dan kunt u zelf voor uw zoon zorgen.’  Ze maakt snel een aantekening.

Vol emoties doe ik een laatste poging om het tij te keren: ‘De afgelopen vier jaar zijn wij heel  druk geweest om de zorg rondom Jacco zo te regelen dat hij thuis kan blijven wonen. Het is een heel wankel evenwicht dat wij nu hebben.

‘ Ah, het is wel fijn dat u in staat bent om zelf een netwerk te vormen rondom de zorg voor uw zoon. Veel mensen kunnen dat immers niet hoor!’

Hup, weer een aantekening.

Dan staat ze op en zegt: ‘Zo, ik weet genoeg.‘

Ik wijs nog naar Jacco’s dossier, maar met een achteloos gebaar zegt ze: ’Nee, dat hebben wij niet nodig. Ik weet genoeg. U doet het heel goed, ga vooral zo door. Ik zal u nog wat formulieren toesturen die dient u heel zorgvuldig in te vullen. Onvolledige formulieren kunnen wij helaas niet behandelen.

Tot ziens!’

Rillend van de kou word ik wakker. In mijn hoofd echoot een uitspraak van de buurvrouwplus uit Nieuwsuur: ‘Wat heb ik toch een mooi beroep. Ik help de mensen om vanuit hun eigen kracht en hun eigen netwerk hun problemen op te lossen!’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.