Geen categorie

Bureaucratie ten top! (07-11-2017)

Gehaast lopen Jaap en ik door hal van het Universitair Medisch ziekenhuis. Jacco had gisteren weer zoveel aanhoudende epileptische aanvallen, dat besloten is hem opnieuw op te nemen in het ziekenhuis. Een beetje chagrijnig, omdat het toch alweer later is dan ik gewild, lopen we door de gang op zoek naar Jacco’s kamer. Wanneer wij zijn kamer binnen lopen zien we tot mijn grote verrassing nog net twee Cliniclowns een minioptreden aan Jacco geven. Meteen verdwijnt mijn chagrijnigheid en bezorgdheid als sneeuw voor de zon. Geamuseerd kijk ik hoe Jacco het uitschatert en allemaal gekke gezichten trekt waarbij zijn rode clownsneus er natuurlijk steeds afvalt.

Zodra Jacco ons ziet rent hij op ons af en krijgen wij een grote knuffel. Uitgebreid bedanken wij de twee clowns en zwaaien ze uitbundig uit. Even later gaat Jacco in zijn bed liggen en is hij als vanouds weer aan het commanderen: ‘Mamma, ik wil graag een tosti, een tosti met ham en kaas!’ Geamuseerd zeg ik: ‘Hé zeg, het is hier geen hotel! Je hebt net gegeten, je krijgt nu echt geen tosti!’ Zichtbaar teleurgesteld moppert hij: ‘Ik heb gewoon trek, trek in een tosti!’

Wat is epilepsie toch een vreemde ziekte. Gisteren had hij de ene aanval na de andere en was er geen land met hem te bezeilen. En nu, na een goede nacht, maakt hij grapjes met de Cliniclowns en is hij weer op zijn eigen lieve manier orders aan het uitdelen. ‘Jacco, wil graag cola mamma. Mag Jacco cola?’ Net op dat moment komt zijn verpleegkundige binnen en slaat gebroederlijk een arm om hem heen. Ze kijkt mij vragend aan. Na mijn goedkeurende knik, zegt ze: ‘Wil jij cola, dan mag jij best een blikje cola, hoor!’ Terwijl Jacco en de verpleegkundige als twee goede vrienden op zoek gaan naar cola, denk ik opgelucht: ‘Met een beetje geluk mag hij vandaag naar huis! Ik hoop het, want ik ben het ‘Oudhollands Bankhangen’ hier helemaal zat.

Dan komt er een andere verpleegkundige de kamer binnen lopen. ‘Wat is de naam van de huisarts van Jacco? Ik heb hier namelijk de ontslagbrief van uw zoon en die moet ik opsturen naar zijn huisarts.’ Gelukkig, hij mag naar huis! Ik moet even nadenken. Sinds Jacco in een instelling woont, heeft hij een andere huisarts. Hoe heet zij ook al weer? Ze heeft een moeilijke, buitenlandse naam… Ach, ik heb haar naam op zoveel formulieren zien staan. Na diep ‘graafwerk’ in mijn handtas, zie ik gelukkig een papier waarop haar naam staat. De verpleegkundige voert de naam van de huisarts in het computersysteem in. ‘Hmmm, vreemd, ik kan deze huisarts niet vinden. Wat gek! Wil je haar naam voor mij opschrijven?’ Ik laat haar de papieren zien waarna zij de naam zorgvuldig over typt. De huisarts van Jacco blijft echter onvindbaar.

Luchtig zeg ik: ‘Geef de brief maar aan mij, dan zorg ik dat hij bij zijn huisarts terecht komt.’ Ik houd mijn hand al op om de brief in ontvangst te nemen. Tot mijn verbazing zegt ze: ‘Dat mogen wij niet doen mevrouw. De ontslagbrief moeten wij naar de huisarts sturen.’ Verbluft kijk ik haar aan en trek mijn uitgestoken hand wat onhandig terug. ‘Hoe heet de instelling waar uw zoon woont, misschien kan ik haar daar wel vinden?’ Enigszins geërgerd geef ik de naam van de instelling waar mijn zoon sinds een jaar woont. ‘Dat is gek, het systeem kent helemaal geen huisartsen in die instelling!’ Gefrustreerd om al het gedoe zeg ik: ‘Nou, er zijn zéker huisartsen daar hoor! Wanneer we Jacco terugbrengen naar de instelling kan ik de brief zo afgeven.’ Weer die afwijzende blik. Ik krijg de gewraakte brief niet mee. Op datzelfde moment voel ik naast alle irritatie ook een enorme boosheid naar boven komen. Ik ben toch geen crimineel, ik ben zijn moeder! Ik houd die de brief over mijn eigen kind toch niet achter bij de huisarts! Wat is dit voor een idioterie!

Ik besluit mijn gerieven niet onder stoelen of banken te steken. ‘Wat een grote onzin, het gaat toch over mijn kind! Geef die brief nu gewoon aan mij, dan is hij het snelste bij zijn huisarts!’ Ik krijg het niet voor elkaar. ‘Mevrouw ik kan hier ook niets aan doen. Het is nu eenmaal beleid dat de brief naar de huisarts gestuurd moet worden.’ Toen ik haar onzekere blik zag, kalmeerde ik iets. ‘Stuur de brief dan maar naar onze eigen huisarts, dan stuurt zij hem wel door naar de huisarts van onze zoon.’

Nog mopperend om deze stomme bureaucratie zoek ik de spullen van Jacco bij elkaar. Dan hoor ik zijn harde en overslaande stem door de ziekenhuisgangen roepen: ‘Jacco heeft cola. Heel lekkere cola. Mamma, Jacco heeft cola gekregen!’ Met een enorme glimlach komt hij de kamer binnen lopen en duwt het blikje cola tot vlak onder mijn neus. Ik schrik en duw het blikje weg, maar er vliegen toch nog enkele druppels cola in mijn gezicht. Terwijl ik mijn gezicht schoonveeg, zeg ik lachend: ‘We mogen naar huis Jacco!’

Een paar dagen later word ik gebeld door de assistent van onze huisarts: ‘Er ligt hier een brief over uw zoon. Wat moet ik doen met deze brief?’ Nog gefrustreerd om alle rompslomp leg ik de situatie uit. Met een gevoel van overwinning beloof ik haar dat ik de brief zo snel mogelijk op kom halen om deze zelf aan de huisarts van Jacco te geven…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.